Jouw smaak (stadsgedicht #4)

Jij smaakt naar kaas
naar romige goudgele plakken
die geuren naar zure nazomerdagen
op de momenten tussen de momenten
dat we niet in staat van beleg zijn
Naar een schittering die in schijn
niet onderdoet voor de klank
van klinkklare munten
en de glans van rente

Jij smaakt naar veel
nooit naar meer
omdat we niet meer
van je kunnen maken
Jij smaakt naar de geur van
te vroeg verschoten kruit
en gepeperd toiletwater
dat deftige dames omringt
als een mistpoort waar alleen
volwaardige ogen doorheen
kunnen staren

Jij ruikt naar de klank van een spoor
dat de weg blindelings, en rechts, vindt
maar het spoor bijster raakt
als het ten strijde moet trekken
tegen herfstblaadjes
Jij klinkt als een verhaal dat
gegrift staat in het voegsel van gevels
waarin statige heren en
gepeperde vrouwen huizen

Maar eerlijk gezegd
(als we alle bijvoegelijke woorden weglaten)
smaak je alleen maar naar een tijd
het soort dat je nergens meer kunt kopen
het soort dat wel voorbij gaat
maar niet verstrijkt

Woerden, september 2010 (i.h.k.v. Nationale Monumentendag ‘De smaak van de 19de eeuw’)

Advertenties