Net mensen (stadsgedicht #5)

Ik ken ze van vroeger
van de geur van verveling
die steeds verder weg drijft
naarmate de tijd dichterbij komt
Ze hadden de gewoonte
(als we al van gewoontes mogen spreken)
ons aan te kijken met grote bruin-zwarte ogen
Ogen waar modellen een moord voor zouden doen
Zelfmoord voor hebben begaan

Hun lichamen waren een ander verhaal
dat in een andere tijd verteld moet worden
Hun lichamen waren logge melk- en babydragers
De lijven van moeders
die zonder het zelf te weten
in een aaibare opstelling stonden
wachtend op een optreden in onze vakantie
We hadden geen rozetten
wel een aai hier en daar
die we soms met een luchtschop moesten bekopen
We vonden het niet erg
dit was de lucht waar sterke verhalen
van gebakken werden

Ze waren ruw en temperamentvol
dat hadden ze van de grassprieten die ze aten
die hadden het van de grondkorrels waarin ze aardden
die hadden het van de handen die ze verzorgden
Ruwe handen van zachtaardige mannen
die God en de natuur bij zich droegen
Tot het einde, tot de tijd

We leerden ze knipogen
Terwijl ze ons leerden knipogen
in de glazige dieptes van hun ogen
Lang stonden ze stil bij ons
roerloos 
kijkend naar ons 
rare wezentjes
met felgekleurde lichamen
kleine ogen en grote monden
die zomaar bewogen
zonder zinnen of gras
om op te kauwen
Zinloze drukte makend

Om de zoveel tijd
het zoveelste verre gesprek
vraag ik naar ze
De koeien en de kalfjes
Ze staan nog steeds op dezelfde plek
kauwend en peinzend
Nooit dromend van een modellen bestaan
Wel van het gras aan de andere kant
en anders dan andere wezentjes
waar ze (speels) tegenaan kunnen schoppen
Net mensen

Woerden, oktober 2010 (i.h.k.v. de jaarlijkse Koeiemarkt)